Nieuws

Ons meest recente nieuws:

   

 


 
Indexeringspercentage alimentatie 1 januari 2019 is vastgesteld op 2%

 

Jaarlijks gaan de vastgestelde alimentatiebedragen omhoog. De wettelijke indexering wordt op grond van artikel 1:402a BW jaarlijks vastgesteld door de overheid en gepubliceerd in de Staatscourant. Dit houdt in dat elk jaar de alimentatiebedragen veranderen.
Degene die alimentatie betaalt is verplicht de indexering te voldoen, tenzij in onderling overleg schriftelijk anders is overeengekomen. Ex-partners dienen dus eigenhandig de alimentatiebijdrage aan te passen. De praktijk wijst uit dat de aanpassing van de bijdrage nogal eens wordt vergeten, hetgeen tot vervelende gevolgen kan leiden. Is in voorgaande jaren de indexering vergeten, dan moet deze alsnog worden voldaan. Als men er pas na jaren achter komt dat men de indexering is vergeten toe te passen, dan kan het zijn dat een deel dan is verjaard. De verjaringstermijn is 5 jaar.
 
2019: 2%
2018: 1,5%
2017: 2,1%
2016: 1,3%
2015: 0,8%
2014: 0,9%
2013: 1,7%
2012: 1,3%
2011: 0,9%
2010: 2,3%
[December 2018]

 
Wetsvoorstel herziening partneralimentatie, hoe staat het er nu voor?
 
 
Op 19 juni 2015 hebben de VVD, D66 en PvdA een initiatiefwetsvoorstel tot herziening van de partneralimentatie ingediend. Het doel van dit voorstel is de huidige maximale alimentatieduur van twaalf jaar te beperken tot de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van 5 jaar. Dit betekent dat als je 12 jaar getrouwd bent geweest de maximale alimentatieduur 5 jaar wordt, maar als je 8 jaar getrouwd bent geweest, de maximale alimentatieduur 4 jaar wordt. Er zijn hierop echter wel een aantal uitzonderingen:
 
  • Huwelijken die langer dan 15 jaar hebben geduurd en waarin de leeftijd van de alimentatiegerechtigde, ten hoogste tien jaar lager is dan de AOW-gerechtigde leeftijd: in deze situatie is de alimentatieduur maximaal 10 jaar.
  • Huwelijken die langer dan 15 jaar hebben geduurd en waarin de alimentatiegerechtigde op het moment van inwerkingtreding van de wet 50 jaar of ouder is, maar nog niet de leeftijd van 57 heeft bereikt: in deze situatie is de alimentatieduur maximaal 10 jaar. Deze regeling zal 7 jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel komen te vervallen.
  • Huwelijken waarin kinderen geboren zijn die de leeftijd van 12 nog niet bereikt hebben: in deze situatie is de maximale alimentatieduur 12 jaar en eindigt deze wanneer het jongste kind 12 jaar oud is geworden.
 
Maar wat betekent dit voor de mensen die al langere tijd partneralimentatie betalen?
In het wetsvoorstel is geen overgangsregeling opgenomen. Dit houdt in dat in ‘oude gevallen’ er geen terugwerkende kracht van toepassing is indien de echtscheiding is uitgesproken en de alimentatie is vastgesteld. Het wetsvoorstel is alleen van toepassing op verzoeken tot echtscheiding na inwerkingtreding van de nieuwe wet waarbij wordt beoogd de wet in werking te laten treden op 1 januari 2020.
 
Ontwikkelingen
Er is intussen sprake van de volgende ontwikkelingen.
 
Derde nota van wijziging van het wetsvoorstel herziening partneralimentatie
Op 1 oktober 2018 hebben de indieners (VVD, D66 en PvdA) een derde nota van wijziging ingediend. Wat is er in deze nota gewijzigd en waar moet op gelet worden?
 
Verval alimentatieplicht bij bereiken AOW-leeftijd
In de vorige amendementen was opgenomen dat de alimentatieplicht zou komen te vervallen wanneer de alimentatieplichtige de AOW-leeftijd heeft bereikt. In deze derde nota wordt dit amendement geschrapt. Na het bereiken van de AOW-leeftijd kan de alimentatieplicht voortduren.
 
Aanpassing van de hardheidsclausule
SP-justitiewoordvoerder Michiel van Nispen diende twee voorstellen in tot wijziging van het huidige wetsvoorstel. Het eerste amendement ziet op de evaluatietermijn. Het huidige wetsvoorstel geeft een evaluatietermijn van 5 jaar. Van Nispen merkt op dat er op deze manier niet veel aan het alimentatiestelsel verandert, behalve de termijnen. Van Nispen denkt dat de effecten van de verandering van het alimentatiestelsel pas na 5 jaar zichtbaar zijn. Als de evaluatietermijn op 5 jaar wordt gesteld, zal dit niet leiden tot veel informatie over de doeltreffendheid en de effecten van de wet. Van Nispen is van mening dat het beter is deze evaluatietermijn te stellen op 8 jaar.
Het tweede amendement ziet op de hardheidsclausule. Uit een scheiding vloeit een alimentatieplicht voort. Deze alimentatieplicht heeft een duur van 12 jaar indien er sprake is van een huwelijk met kinderen of een huwelijk zonder kinderen dat langer heeft geduurd dan 5 jaar. Indien er sprake is van een huwelijk dat korter heeft geduurd dan 5 jaar en er geen kinderen uit de relatie zijn ontstaan, dan is de alimentatieduur even lang als de duur van het huwelijk.
De hardheidsclausule is geregeld in artikel 1:157 lid 5 BW. De hardheidsclausule houdt in dat de rechter kan worden verzocht om, na het verstrijken van de alimentatietermijn, de alimentatieplicht toch voort te zetten. Het wegvallen van de alimentatie moet dan zo ingrijpend gevolgen hebben op de situatie van de alimentatiegerechtigde dat er een termijnverlenging naar redelijkheid en billijkheid kan worden vastgelegd. In de huidige situatie slaagt een beroep op de hardheidsclausule bijna nooit. Van Nispen stelt voor om de hardheidsclausule te verruimen. Van Nispen: “de normen die zijn ontwikkeld uit gerechtelijke uitspraken met betrekking tot het oude artikel, worden op het nieuwe artikel toegepast. Dit maakt een kans op een geslaagd beroep op de hardheidsclausule onmogelijk.”
Het is nu afwachten of het wetsvoorstel op voldoende steun in de kamer kan (blijven) rekenen. Er wordt beoogd om de wet op 1 januari 2020 in werking te laten treden.
 
 
Auteurs: Britt Tempelaars en Hans Kurvers

[November 2018]


  

Jeugdhulp bij conflictscheidingen al vanuit rechtszaal opgestart

 

Op 23 oktober is in Roermond het startsein gegeven voor de pilot Uniform Hulpaanbod (UHA) in scheidingsprocedures bij de rechtbank Limburg. Door jeugdhulp al vanuit de rechtszaal in te schakelen, wordt de schade die kinderen oplopen bij conflictscheidingen zoveel mogelijk beperkt.
 
Na Noord-Nederland, waar dit initiatief in 2015 is begonnen, is Limburg de eerstvolgende provincie waar deze belangrijke en unieke ketensamenwerking in jeugdzaken start. De pilot is een initiatief van de Rechtbank Limburg en kwam tot stand in overleg met alle Limburgse gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming. Bij de pilot zijn ook diverse jeugdhulpaanbieders en advocaten betrokken. De rechtbank Limburg voert daarmee uit wat de Rechtspraak landelijk heeft afgesproken, namelijk te zorgen dat in heel Nederland de rechter in conflictscheidingen professionele jeugdhulp voor ouders en kinderen vanuit de rechtszaal kan inzetten. Bovendien kan de rechter zo het resultaat van die hulp bij zijn beslissingen over de kinderen laten meewegen.
 
Visiedocument Rechtspraak
De Rechtspraak presenteerde eind 2016 een visiedocument over echtscheidingen van ouders met kinderen. Daarin staan de complexe conflictscheidingen centraal waarin te veel kinderen te lang betrokken raken. De belangen van die kinderen raken ondergesneeuwd, of komen niet of ruim onvoldoende aan bod. De schade die kinderen daardoor lijden, kan op korte en lange termijn erg groot zijn. In het visiedocument legde de Rechtspraak plannen neer om het familierechtelijke proces bij de rechter, waarin die ouders en kinderen betrokken zijn, zo in te richten dat de schade voor die kinderen zoveel mogelijk en zo snel mogelijk kan worden beperkt. Een van die plannen is het organiseren van uniform hulpaanbod in heel Nederland. Dit UHA vormt ook een van de aanbevelingen die op 22 februari 2018 bekend werden gemaakt door het platform Scheiden zonder Schade onder leiding van André Rouvoet.
 
Wat houdt de pilot UHA in Limburg in?
Door het UHA kunnen kinderrechters, veelal op advies van de Raad voor de Kinderbescherming en met instemming van de ouders, specifieke jeugdhulp vanuit de rechtszaal inzetten. De rechter informeert daarover meteen het loket bij de Raad. De Raad legt met instemming van ouders contact met het lokale jeugdteam van de gemeente waar de kinderen wonen. Als er geen zwaarwegende contra-indicaties tegen het inzetten van de jeugdhulp blijken te zijn, zorgt het loket ervoor dat de jeugdhulpverleners zo spoedig mogelijk met de ouders en kinderen van start gaan. De jeugdhulp wordt betaald door de gemeente waar de kinderen wonen.
 
Deelnemers
De jeugdhulptrajecten die in het UHA zitten zijn: Kinderen uit de Knel (KuK), Ouderschap na Scheiding (OnS), Begeleide Omgangsregeling (BOR) en Kinderen in Echtscheiding (KIES). De jeugdhulpverlener maakt een eindrapport, dat ook ter beschikking komt van de Raad en de rechter. De gemaakte werkafspraken vergroten de kans dat de ouders en kinderen snel de juiste hulp krijgen en dat zij die hulptrajecten (duur 6-7 maanden) ook afmaken. Dat vergroot dit voor de kinderen de kans dat zij minder, geen of niet langer schade oplopen. Dat laatste kan ertoe bijdragen dat later geen zwaardere en duurdere jeugdhulp voor de kinderen door de gemeenten moet worden ingezet en betaald.
 
Duur van de pilot
Het project UHA zal in Limburg als pilot starten op 1 januari 2019 voor de duur van twee jaar. In de loop van die periode wordt, mede aan de hand van een evaluatie, beslist of (en zo ja: op welke wijze) met het UHA wordt verder gegaan.
 
Bron: Rechtbank Limburg 

[Oktober 2018] 


 

 Multidisciplinair onderzoek naar civiele procespositie minderjarigen gestart

 

De afdeling Jeugdrecht van de Universiteit Leiden voert sinds deze zomer onderzoek uit in opdracht van het WODC naar de civiele procespositie van minderjarigen.
 
Multidisciplinair onderzoeksteam
Een Leids multidisciplinair onderzoeksteam, met onderzoekers van de Faculteit der Sociale Wetenschappen en de Juridische Faculteit, onderzoekt of de huidige formele procespositie en het hoorrecht van minderjarigen moet worden uitgebreid en aangepast, en zo ja, op welke wijze. Ook wordt ingegaan op de vraag wat de pedagogische, organisatorische, financiële en juridische voor- en nadelen daarvan zouden zijn en of en zo ja, hoe minderjarigen ondersteund moeten worden in civiele procedures. De onderzoeksresultaten zullen voor de zomer van 2019 worden opgeleverd.
 
Regeerakkoord
In het regeerakkoord van 2017 werd de toezegging gedaan om nader onderzoek uit te voeren naar de formele procespositie van minderjarigen en leeftijdsgrens voor het horen van kinderen in het civiele recht. Deze toezegging kwam voort uit de aanbeveling van de Staatscommissie Herijking Ouderschap uit 2016 om onderzoek te starten naar de civiele procespositie van minderjarigen. Hierbij werd de vraag opgeworpen (1) of de leeftijdsgrens voor het horen van kinderen niet van 12 jaar naar 8 jaar moest worden gebracht, (2) of de informele rechtsingang met betrekking tot gezagskwesties niet moest worden uitgebreid en (3) of er een formele rechtsingang voor minderjarigen zou moeten worden geïntroduceerd.
 
Onderzoeksmethoden
Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, zal eerst de huidige praktijk ten aanzien van de formele procespositie, waaronder het horen van kinderen, in kaart worden gebracht. Daarbij zal bijzondere aandacht zijn voor de pilot van de Rechtbank Amsterdam om kinderen vanaf 8 jaar te horen en voor de pilot van de Rechtbank Den Haag om kinderen vanaf 6 jaar te horen in kinderontvoeringsprocedures en om aan kinderen vanaf de leeftijd van 3 jaar een bijzondere curator toe te voegen.
 
Het onderzoek zal zich richten op drie thema’s binnen het familierecht, te weten:
• afstamming en adoptie;
• gezag, omgang en scheiding; en:
• kinderbeschermingsmaatregelen.
 
Behalve juridisch (literatuur- en jurisprudentie-)onderzoek zullen vragenlijsten, interviews, focusgroepen en expertmeetings worden gebruikt als onderzoeksmethoden. Daarbij zal ook aandacht zijn voor de mening en ervaringen van kinderen en jongeren.
 
Bron: Universiteit Leiden

[September 2018] 


 

Drie miljoen alleenstaanden in Nederland

 

Sinds de jaren ‘40 van de vorige eeuw is het aantal alleenstaanden in Nederland sterk gegroeid. In 1947 waren er 285.000 alleenstaanden. Nu zijn dat er 3 miljoen, zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
 
Tussen 1947 en 2017 is het aantal mensen dat alleen woont (‘alleenstaanden’) gegroeid van 285.000 naar bijna 3 miljoen, ofwel van 5 naar 22% van alle meerderjarige Nederlanders. En de komende drie decennia zet die trend zich voort: in 2047 zullen er 3,6 miljoen alleenstaanden zijn op een meerderjarige bevolking van bijna 15 miljoen. Bijna een kwart van de volwassen inwoners zal dan dus alleenstaand zijn.
 
Daarnaast is de verwachting dat over dertig jaar (net als nu) ruim 4% van alle meerderjarige Nederlanders een alleenstaande ouder met één of meer kinderen zal zijn. In 1947 was dat nog 1%.
 
Veranderende normen en waarden
De groei van het aantal alleenstaanden en alleenstaande ouders vindt zijn oorsprong in de veranderingen in normen en waarden die sinds de Tweede Wereldoorlog in alle westerse samenlevingen zijn opgetreden, maar ook in de mate waarin mensen hun eigen levensloop kunnen vormgeven. Daarin spelen welvaart, toegenomen economische zelfstandigheid van vrouwen en de uitbreiding van de verzorgingsstaat een rol.
 
Seksuele relaties, huwelijk, samenwonen en kinderen krijgen zijn steeds meer losgekoppeld, terwijl ze tot de jaren ‘60 nauw met elkaar verbonden waren. Dankzij de ruime beschikbaarheid van voorbehoedsmiddelen (soms bekostigd door het ziekenfonds) hoeft seks niet meer te leiden tot zwangerschap.
 
Bij jongvolwassenen is meer nadruk komen te liggen op het opdoen van ervaringen en de entree op de arbeidsmarkt voordat zij de keuze maken voor een vaste relatie, samenwonen en kinderen. Daarom kan het huwelijk of ongehuwd samenwonen worden uitgesteld.
 
Ook de houding ten aanzien van scheiding is veranderd. Dat komt onder andere tot uiting in de versoepeling van wettelijke regels omtrent echtscheiding en de actuele voorstellen voor wetswijziging om de alimentatieduur te beperken. Scheiden is ook niet meer de schande die het was, en mensen scheiden ook op steeds latere leeftijd. Bovendien verbreken ongehuwde samenwoners hun relatie sneller dan gehuwden. Hoewel het aantal echtscheidingen in het midden van de jaren ‘90 een plafond bereikte, is het aantal ongehuwde paren dat jaarlijks uit elkaar gaat doorgegroeid.
 
Een aanvullend pensioen naast AOW en de ondersteuning vanuit thuishulp en persoonsgebonden budgetten stellen ouderen in staat om tot op hoge leeftijd zelfstandig te blijven wonen. En een vrouw die wil scheiden is tegenwoordig, dankzij haar eigen inkomen of de bijstand, niet meer gedwongen om uit economische overwegingen bij de partner te blijven.
 
Wenselijk
Dat alles betekent niet dat iedereen die alleen woont dat ook de meest wenselijke situatie vindt, maar wel dat dit in een groot deel van de gevallen de uitkomst is van afwegingen waarbij samenwonen niet meer de meest logische uitkomst is, laat staan trouwen.
De alleenwonende van 2017 is dan ook niet meer dezelfde als die van 1947. Was vlak na de Tweede Wereldoorlog verweduwing nog de belangrijkste reden om alleen te komen staan of eenouder te worden, daarna werd uitstel van trouwen steeds belangrijker, en na 1971 ook scheiding. Van de alleenstaanden in 2017 was 21% gescheiden, 22% was verweduwd en ruim de helft is nooit getrouwd geweest.
 
Lat-relatie
Het is niet altijd zo dat alleenstaanden geen partnerrelaties hebben. Ruim 20% heeft een lat-relatie. Vooral alleenstaande mensen tot 30 jaar combineren zelfstandig wonen met een relatie. Meer dan 90% van deze jonge latters wil op termijn wel samenwonen of trouwen.
 
Juist op hogere leeftijd hebben mensen de voorkeur om te blijven latten. Van de lattende vijftigplussers wil 40% op termijn trouwen of samenwonen. De meerderheid wil dus alleen blijven wonen. Onder vrouwen is die wens om alleen te blijven wonen nog sterker dan onder mannen.
 
Ook zijn niet alle alleenstaanden zonder partner op zoek naar een relatie. Terwijl onder de twintigers vrijwel iedereen (nu of later) een relatie wil, zit minder dan de helft van de alleenstaande vijftigplussers daarop te wachten, de vrouwen nog minder dan de mannen.
 
Alleenstaand is niet altijd alleen
Gehuwde en ongehuwd samenwonende paren (met of zonder inwonende kinderen) hebben even vaak of vaker wekelijkse contacten met vrienden, familie en buren dan alleenstaanden of alleenstaande ouders.
 
Een deel van de alleenstaande gescheidenen heeft een paar dagen per week de kinderen over de vloer, hoewel die ingeschreven staan bij de ex-partner. In 2010 koos 27% van de scheidende paren voor co-ouderschap.
 
Ouderparen zijn vaker actief in vrijwilligerswerk dan paren zonder kinderen, alleenstaanden en alleenstaande ouders. Wanneer het gaat om het verlenen van informele hulp, zijn er geen significante verschillen tussen alleenstaanden en anderen.
 
Uiteindelijk heeft 4% van de bevolking van 15 jaar en ouder geen wekelijks contact met familie, vrienden of buren. Alleenstaanden en alleenstaande ouders verschillen hierin nauwelijks van samenwonende paren. Maar naar burgerlijke staat blijkt het percentage sociaal geïsoleerden onder gescheidenen hoger te liggen dan gemiddeld, terwijl het onder nooit-gehuwden en vooral onder verweduwden lager is.
 
Het aantal mensen dat daadwerkelijk ‘alleen’ is, is dus minder groot dan het aantal alleenwonenden. Een deel heeft een lat-relatie en veruit de meesten hebben regelmatig contact met vrienden, familie of buren. Maar er zijn wel verschillen in het sociale netwerk van bijvoorbeeld gescheidenen en verweduwden, waarbij de eerste groep vaker objectief sociaal geïsoleerd is dan de laatste.
 
Volgens CBS voelt 4% van de bevolking van 15 jaar en ouder zichzelf sterk eenzaam. Onder de thuiswonende kinderen gaat het om 2% en onder alleenstaanden, met of zonder thuiswonende kinderen, om 6%. Leden van paren en alleenstaanden met kinderen voelen zich niet significant minder eenzaam dan alleenstaanden zonder kinderen.
 
Alleenstaanden en alleenstaande ouders voelen zich vaker eenzaam dan anderen. Met name de gescheidenen springen er in dat opzicht uit.
 

Bron: CBS

[Juli 2018]


 

Minder kinderen betrokken bij echtscheiding

 

Het aantal minderjarige kinderen dat betrokken was bij een echtscheiding, is in 2016 gedaald ten opzichte van 2015. Dat blijkt uit de factsheet Scheidingen 2017 van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC).
 
Daling
In totaal waren ruim 33.500 kinderen bij een echtscheiding betrokken; een daling van 1.100 ten opzichte van 2015. Bij 56% van alle echtscheidingen waren een of meerdere kinderen betrokken. Dat percentage is de afgelopen vier jaar hetzelfde gebleven. Gegevens over het aantal samenwonende ouders met minderjarige kinderen die uit elkaar gaan, zijn niet beschikbaar.
 
Advies
Verder blijkt uit de factsheet dat de Raad voor de Kinderbescherming in 2017 voor 5.072 kinderen een advies over gezag en omgang heeft uitgebracht. Dat aantal is minder dan in 2016, toen 5.210 adviezen werden gegeven.
 
Vorig jaar werd voor 963 kinderen een ondertoezichtstelling gevraagd. In 2016 waren dat er nog 1.020.
 
 
Bronnen: WODC / NJI
[Mei 2018]

 
 
Wetsvoorstel maakt gemeenschap van goederen goedkoper: Dekker schrapt notariskosten
 
 
Mensen die in algehele gemeenschap van goederen willen trouwen, hoeven straks niet meer naar de notaris voor huwelijkse voorwaarden. Zij kunnen voortaan volstaan met een verklaring bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand.
 
Wetsvoorstel
De maatregel geldt ook voor het geregistreerd partnerschap. Dit blijkt uit een wetsvoorstel dat minister Dekker (Rechtsbescherming) op 26 februari voor advies naar verschillende instanties heeft gestuurd, waaronder de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVvB) en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB).
 
Het wetsvoorstel, dat voortvloeit uit het regeerakkoord, heeft te maken met een wijziging die op 1 januari van dit jaar is ingegaan. Voortaan trouwen mensen automatisch in een beperkte gemeenschap van goederen. Dat wil zeggen dat zij niet meer alle bezittingen en schulden delen die zij vóór en tijdens hun huwelijk verkrijgen. Huwelijkspartners die daarvan willen afwijken en wèl alles met elkaar willen delen, moeten nu naar de notaris om dat in huwelijkse voorwaarden te laten vastleggen. Dat is ingewikkelder en er zijn kosten aan verbonden. Met het wetsvoorstel komt het kabinet deze mensen tegemoet, door de procedure te vereenvoudigen en de notariskosten te schrappen.
 
Modelverklaring
De verklaring kan tot uiterlijk één werkdag voor het huwelijk worden ingediend bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente waar men wil trouwen. Dit kan zowel digitaal als op papier. Er komt een modelverklaring voor mensen die in algehele gemeenschap van goederen willen trouwen. Minister Dekker vindt dit belangrijk met het oog op de rechtszekerheid. Zo’n registratie is duidelijk en zorgt voor een betere uitvoering. De modelverklaringen worden afgestemd met de KNB en de NVvB.
 
KNB
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) ziet een groot gevaar in het voorstel en wijst in een eerste reactie op het belang van goede voorlichting over de huwelijksvorm. Een ambtenaar van de Burgerlijke Stand heeft niet de kennis die een notaris of advocaat wel heeft. De NVvB heeft al bij de KNB aangegeven vooral te willen doorverwijzen, in plaats van voor te lichten.
 
Helaas is er geen garantie dat doorverwijzen in alle 380 gemeenten in Nederland op dezelfde manier gaat gebeuren. Daarmee dreigt het gevaar van het verstrekken van onjuiste informatie over een belangrijke beslissing in het leven, aldus de beroepsorganisatie.
 
Bronnen: Rijksoverheid.nl en KNB
[Maart 2018]

 
Echtgenote heeft recht op inzage medisch dossier overleden echtgenoot
 
Een man en een vrouw zijn met elkaar gehuwd. De man verblijft in een verzorgingstehuis. Na zijn overlijden verzoekt de vrouw inzage in het medisch dossier van de man. Het verzorgingstehuis weigert.

De rechtbank oordeelt dat voldoende is gebleken van concrete aanwijzingen dat de man aan de vrouw toestemming tot inzage in zijn medisch dossier na zijn dood zou hebben gegeven. De wens van de vrouw om inzage te krijgen is niet uitsluitend ingegeven vanuit haar emotionele betrokkenheid of het inlossen van een persoonlijke ereschuld, zoals het verzorgingstehuis stelt, maar ook om vast te stellen of jegens de man voldoende zorg is betracht, dan wel of er fouten zijn gemaakt die zouden kunnen leiden tot medische aansprakelijkheid.
 
Rechtbank Oost-Brabant 22 november 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6092

[Februari 2018]


 

Trouwen in algehele gemeenschap van goederen is vervangen door trouwen in beperkte gemeenschap van goederen.
Het vermogen van vóór het huwelijk blijft ieders privévermogen.


Hoofdlijnen van de regeling
Dat betekent dat het vermogen, giften en erfenissen van een van de echtgenoten van vóór het huwelijk buiten de huwelijksgemeenschap valt. Het vermogen dat de echtgenoten tijdens het huwelijk opbouwen en het vermogen dat vóór het huwelijk al gemeenschappelijk was, valt wel in de gemeenschap van goederen.
Het zelfde gold voor eventuele schulden.
- De echtgenoten kunnen een uitsluiting van iedere gemeenschap opstellen. Hierdoor blijft hetgeen privé is vanaf het huwelijk ook gewoon privé.
- Wanneer er alsnog algehele gemeenschap van goederen gewenst is, kan het echtpaar huwelijkse voorwaarden opstellen met daarin een algemene gemeenschap van goederen.
 
Fiscale gevolgen
Fiscale gevolgen zijn er niet veel in het kader van deze nieuwe wetgeving.
Wanneer onroerende goederen bij het huwelijk gemeenschappelijk worden, blijft een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting gelden.
Hetzelfde als met roerende goederen worden onroerende goederen bij verbreking van het huwelijk aan een van de partners toebedeeld.
Wanneer er sprake is van privé vermogensbestanddelen van vóór het huwelijk blijven die privé en wordt de vrijstelling minder benut.
 
Het huwelijksvermogen is in het kader van de wet niet relevant voor de inkomstenbelasting.
Alleen in het geval van ter beschikking stelling van vermogen tussen echtgenoten is de eigendomsverdeling tussen partners belangrijk.
Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, zoals de aftrek voor de eigenwoning en de heffing in box 3, worden over de echtgenoten verdeeld. De vraag wie eigenaar is of dat er een gemeenschappelijk eigendom is, is dan niet van belang (fiscaal gezien).
Wanneer aandelen in de gemeenschap van goederen vallen zijn beide echtgenoten automatisch aanmerkelijkbelanghouder. In de nieuwe wet is dat niet meer het geval.
 
Conclusie
De wetgever is van mening dat grote fiscale gevolgen zullen uitblijven bij invoering van de nieuwe wet omtrent trouwen in algehele gemeenschap van goederen.
Het zou (toekomstige) echtgenoten aan het denken zetten over wat in het gemeenschappelijk eigendom valt en wat privé eigendom blijft.
Omdat het nieuwe stelsel voor een langere tijd naast het oude stelsel zal bestaan, (de nieuwe wetgeving geldt alleen voor nieuwe huwelijken) zal de praktijk hier voorzichtig mee moeten zijn.
Het is dus van belang om zaken goed te regelen om ongewenste situatie te voorkomen.
 
In april 2016 stemde de Tweede Kamer, met een meerderheid van 86%, in met het wetsvoorstel aangaande het huwelijksgoederenrecht. De nieuwe regeling is op 1 januari 2018 ingegaan.
 
[Februari 2018] 

 

Omgangsregeling tussen minderjarige en grootouders

 
Met behulp van de grootouders krijgt de minderjarige kans een reëel beeld van zijn overleden moeder te kunnen vormen en de herinnering aan haar levend te houden.
 
De feiten
Uit de affectieve relatie tussen M en V is in 2007 zoon Z geboren. V is in 2013 overleden. M heeft inmiddels in X een nieuwe partner gevonden en oefent samen met haar het ouderlijk gezag uit over Z. M zit gedetineerd. Z woont bij X en staat onder toezicht van de GI.
 
Het verzoek
De ouders van V (hierna de grootouders) verzoeken de rechtbank een omgangsregeling tussen hen en Z vast te stellen. De rechtbank wijst het verzoek toe. M en X gaan in hoger beroep.
 
Beoordeling
Family life
M en X stellen dat de grootouders niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat zij geen nauwe persoonlijke betrekking (family life) met Z hebben. Het hof volgt dit standpunt niet. Zowel Jeugdbescherming als de Raad voor de Kinderbescherming hebben te kennen gegeven dat tussen Z en de grootouders sprake is van een hechte band. Ook uit verklaringen (uit de omgeving van) de grootouders blijkt dat zij vanaf de zwangerschap van V nauw betrokken waren bij Z. Daarnaast vervulden zij een belangrijke rol in diens verzorging; zo heeft V enige tijd met Z bij hen gewoond en zorgden zij voor hem als V moest werken. Tussen hen is volgens het hof dan ook een voldoende bestendige en betekenisvolle relatie ontstaan om tot een nauwe persoonlijke betrekking te kunnen concluderen. De grootouders zijn derhalve ontvankelijk in hun verzoek.
 
Belang
Het hof oordeelt dat het in het belang van een evenwichtige sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling van Z is dat tussen hem en zijn grootouders omgang plaatsvindt. De grootouders vormen voor Z nog de enige band met zijn overleden moeder. Met behulp van de grootouders krijgt Z kans een reëel beeld van V te kunnen vormen en de herinnering aan haar levend te houden. Het onderlinge wantrouwen tussen partijen vormt naar het oordeel van het hof geen grond de grootouders de omgang te ontzeggen, nu ter zitting is gebleken dat zij bereid zijn op vrijwillige basis een mediationtraject aan te gaan.
 
Het hof benadrukt dat dit traject in het belang is van Z en dat partijen zich in moeten spannen op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. Door de huidige strijd en spanningen brengen zij Z thans (onbewust) in een loyaliteitsconflict. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.
 
Gerechtshof Den Haag 4 februari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2245
(publicatie 25 juli 2017)
 
Disclaimer: deze uitspraak dateert uit 2015, maar werd pas onlangs gepubliceerd op Rechtspraak.nl.

[Januari 2018]


 

Steeds meer kinderen weten Kinderombudsman te vinden
 
Het aantal kinderen dat contact opneemt met de Kinderombudsman is in 2016 verdubbeld. 327 kinderen en jongeren wisten de Kinderombudsman te vinden met vragen, hulpverzoeken of klachten. In totaal werd de Kinderombudsman vorig jaar 3.286 keer benaderd; een stijging van 20% ten opzichte van 2015. Net als in voorgaande jaren namen de meeste mensen contact op over jeugdzorg, onderwijs en omgang na een scheiding, zo blijkt uit het jaarverslag van de Kinderombudsman, dat op 19 april werd gepubliceerd.
 
Jeugdzorg, onderwijs en echtscheiding
Met 954 meldingen staat jeugdzorg bovenaan de lijst van onderwerpen waarover mensen contact opnemen. Het gaat hierbij meestal om vragen of klachten over de uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling van kinderen. Kinderen benaderen de Kinderombudsman vaak over problemen met hun gezinsvoogd. Ook over onderwijs kwamen veel meldingen (650) binnen. Vaak gaat het om situaties waarbij het niet lukt om een kind passend onderwijs te bieden.
 
Vragen en klachten
De Kinderombudsman werd ook in 2016 weer veel benaderd met vragen en klachten over de omgang tussen kinderen en ouders na een echtscheiding. In totaal 417 keer, een stijging ten opzichte van 2015. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om klachten van ouders die het niet eens zijn met de beslissingen van een rechter over de omgangsregeling. Maar ook om kinderen die zich niet gehoord voelen en het idee hebben dat hun mening niet telt.
 
Onderzoeken
In 2016 deed de Kinderombudsman onder meer onderzoek naar de ontwikkelingen in de jeugdhulp, waaruit bleek dat er twee jaar na de invoering van de jeugdwet nog veel niet op orde is. De Kinderombudsman heeft het Rijk en de gemeenten hierop opgeroepen zo snel mogelijk actie te ondernemen om het jeugdhulpstelsel te verbeteren. Uit een enquête onder meer dan 2.000 kinderen en jongeren kwam naar voren dat kinderen en jongeren echte aandacht willen van volwassen, dat ze hoge werkdruk ervaren op school en beter geïnformeerd willen worden over beslissingen die over hen genomen worden.
 
Bron: Kinderombudsman

[Oktober 2017]


 

 

Voor verdere informatie kunt u contact opnemen met: Stichting Mediation Regio Eindhoven Hastelweg 85 5616 HK Eindhoven Tel. nr: 040 - 28 010 77 Email: info@mediationeindhoven.nl